Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen

vrijdag 28 maart 2014

'In het oog, in het hart'

Uit de collectie Hoogendijk (schilderijen, tekeningen en grafiek). 'Van Roelofs tot Van der Zweep.'

Tentoonstelling Centraal Museum, Utrecht Projectkamer 1, 19 maart t/m 16 mei 2005

'de Nerée tot Babberich'

Inleiding

Alvorens op het ontstaan van de verzameling in te gaan wil ik mijn erkentelijkheid betuigen aan het Centraal Museum voor de uitnodiging een aantal objecten uit mijn verzameling beeldende kunst aldaar tentoon te stellen. Erfelijk belast ben ik. Mijn vader was een gerenommeerd handelaar in oude schilderijen aan de Keizersgracht te Amsterdam. Van hem leerde ik kijken naar Van Goyens en Saenredams. Hij maakte zijn kinderen ook enthousiast voor stukken landschap en stad, voor een gebouw en voor mooie luchten en omgeploegde akkers en voor velden met rode kool. "Kijk 's hoe mooi, als je er oog voor hebt." Zijn lijfspreuk was "Il n'y a que l'art." Hij was inderdaad meer kunst dan handelaar, ik bedoel: gepassioneerd voor kunst, en niet erg zakelijk. Hij beschouwde zijn smaak als DE smaak. Ik verdedigde wel eens dat iemand ook het zigeunermeisje-met-traan mooi kon vinden, ja, dat net zo waardeerde als mijn vader een Rembrandt, maar dat stond toch ver van hem af.

'Bloemaert. 'Een van de schilderijen die mijn vader had verkocht aan het Centraal Museum'.















Ik herinner me een geanimeerd gesprek met de eminente kunsthistoricus Jos de Gruyter, die bij mijn vader op bezoek kwam. We spraken over waar vroeger nieuwigheden zich het eerst manifesteerden, in de beeldende kunst, de literatuur of op straat. Over Malevich, wit kruis op dito fond, dus bijna helemaal weg, vond ik. Of musea niet kerkhoven waren. En over het moderne abstracte geschilder, vaak heel subjectief gedoe dat wegfietst van communicatie met de medemens en van de maatschappij. Later had De Gruyter tegen mijn vader gezegd dat het wel leuk spreken was geweest met die kritische student. Misschien wilde hij beleefd zijn. Bij Sandberg, de directeur van het Stedelijk die nogal warm liep voor Cobra, had ik eens gepleit voor de aankoop van een schilderij van Friso ten Holt dat ik op diens atelier gezien had. "Er zijn, naast uw dionysische schilders, ook nog best goede, meer apollinische." Ik was enthousiast op dreef. Aan het eind van het gesprek, surprise surprise, vroeg hij mij bij hem te komen werken. Had ik wellicht mede aan de goede naam van mijn vader te danken. Ik hield het af, maar het schilderij kwam wel in het museum.

Even geen kunst

Tussen mijn rechtenstudie en een baan bij de Raad van Europa in Straatsburg heb ik met mijn vader af en toe meegelopen naar veilingen, handelaren en verzamelaars in Engeland en Frankrijk. Daarna wilde ik een lange tijd niet nauw met kunst te maken hebben. Ik vond: ik maak wel mijn eigen creaties. Dat werden, teruggekeerd in Holland en met lang haar en spijkerpak, enkele kleine, vooroplopende milieuorganisaties (compleet met demonstraties!) en vergaande analyses en stellingnames over milieu, economie en maatschappij (zie de vitrine bij de kameringang en www.aarde.org) De ouders overleden, erfden de kinderen wat er over was aan schilderijen en tekeningen. (Nee, er zaten geen Van Goyens en Saenredammen bij! Wel echter werk van Bendien, Wichman, Frankot en ten Holt en een groot abstract werk van de Venetiaan Emilio Vedova wat de belangstelling van mijn vader voor moderne kunst aantoont.) Opeens had ik een partijtje ongeregeld aan schilderijen en zo in huis. Daaronder dierbare dingen waar we als kinderen altijd tegenaan hadden gekeken.

Het begin

Hoe ging het verder? Liefdesverdriet deed mij weer eens een kijkdag van een veilinghuis binnenlopen - hoewel ik muziek eigenlijk meer troostend vind; muziek gaat bij mij dieper dan beeldende kunst. Op die kijkdag werd ik getroffen door een mooi schilderij (Nr. 5).
'Nr. 5'
Dit was het dat mij aan de haak sloeg en zo werd ik een naarstig veilingbezoeker. En koper. Ik heb dus van huis uit goed leren kijken. De expertise van een handelaar denk ik niet zo gauw nodig te hebben. Je biedt tegen andere particulieren of tegen de handel. Soms vindt een kleinere handelaar, die in dezelfde soort dingen geïnteresseerd is als ik, het niet leuk als hij mij in de veilingzaal ziet zitten. En omgekeerd. Dat kopen moest met bescheiden middelen, want idealistische milieumensen werken ook wel tegen een laag salaris. Soms kon ik iets verkopen van mijn vader en wat verder gaan met bieden dan gewoonlijk. Als ik in de advocatuur was gegaan, met succes, ach wat had ik dan niet een mooie collectie opgebouwd! Geregeld immers zag ik spannende dingen die mijn budget te boven gingen. In mijn verzameling dus geen Mallorca van Gestel, een fauve Sluijters of een boom van Saverijs. Inderdaad ging en gaat mijn belangstelling vooral uit naar de modernisten. (Zie de achterwand hier, en dan nog een stukje met de klok mee.) Dat zijn zij die, in navolging van Van Gogh, Cézanne, Munch en andere post-impressionisten, gaan experimenteren met, of zich gaan toeleggen op, het kubisme, expressionisme, luminisme of constructivisme. De Hollanders zijn daar, afgezien van Mondriaan en de vroege Sluijters, meestal wat voorzichtiger in (gereformeerder? Doe maar gewoon?) dan buitenlandse modernisten. Daarbij heb ik -zoals mijn vader- een voorkeur voor een, hoe moet ik het zeggen, romantische schilderwijze. Een losse, spannende schilderstoets, een gedurfde penseel- of mesvoering, een snelle opzet. Dat ligt me wel. Daarom ook dat schetsen vaak boeiender zijn dan het uiteindelijke werk. Vaak vind je het in werken die een schilder voor studie of voor zijn eigen lol, voor 'eigen gebruik' maakt. Ze durven dan meer. (Zie bijv. nrs. 3, 17, 18 en 43).

'Bauer'
'Ansingh'
'Schwartze'
'Schellefhout'












Bescheiden middelen

Het bescheiden budget maakt dat ik nog weleens een anoniem werk heb gekocht (bijv. nr. 53). Goed, maar zonder naam - dat drukt de prijs.

'Nr. 53'

Vooral prettig als je later de maker vindt (bijv. bij nrs. 52 en 55, en zojuist bij nr. 5). Maar dat komt niet vaak voor, bij mij althans.


'Klok'
'Degouve de Nunques'
'Ansingh'
Mijn hernieuwd bezig zijn met schilderkunst, moet ik nog vermelden, kwam ook door mijn vriendschap met genoemde Friso ten Holt die toen een tiental huizen verderop aan de Keizersgracht woonde. Een soort vaderfiguur, later een oudere broer voor mij. Toen hij een tentoonstelling had in Warmenhuizen, mocht ik deze openen. (Tekst op aanvraag.) U treft hier enkele werken van hem aan, evenals trouwens van zijn vader Henri. Henri (uit een Utrechtse familie afkomstig) was een interessante, experimenterende schilder, tot op het laatst van zijn leven. Friso beperkte en verdiepte zich en werd een groot schilder. Hij heeft nog niet de erkenning die hij volgens mij verdient. Otto de Kat, die een vriend en collega van hem was, geniet al meer bekendheid, hoewel in mijn ogen niet van dezelfde hoogte.

 

Engagement

Mijn politieke gevoel, met de nodige nuances zeer links van het centrum, vindt men niet terug in mijn verzameling. Hoewel ik wel blij was met de recente verwerving van het portret van Henriette Roland Holst door haar man (nr. 24): zowel een vrouw (ik heb namelijk een vrouwencollectie) als een socialiste!



In de jaren '30 waren vele kunstenaars, vooral in Amsterdam, links geörienteerd tot ronduit lid van de communistische partij, maar zij maakten lustig babietjes, stillevens en landschappen. Alma's Sociale Portretten (nr. 57) is duidelijk een politiek statement. (De rentenier daaruit kon ik mooi als illustratie gebruiken in mijn boek over economie.)



Beekman's wat onbeholpen mijnwerker in De Stijl-trant (nr. 59) komt ook direct voort uit zijn sociale
gevoel.

 

Aan de politiek-rechtse kant vindt men de 'branie' Wichman (bijv. nr. 83), want evenwicht moet er zijn!



Heb ik een wat ouderwetse smaak? Sommige werken van Cobra kan ik wel waarderen, zoals een vroege Appel of een Lucebert, maar dan zijn ze boven mijn budget. Ik heb me nooit in de eigentijdse kunst ingewerkt. Er is veel waarvan ik maar vluchtig kennis neem. Een emmer roestige spijkers over de museumvloer uitgestort - ik heb het wel gezien. Onder het moderne schilderwerk vind ik veel kliederwerk, neem me niet kwalijk. Maar soms word ik echt heus wèl gepakt door een modern werk of een nog levende kunstenaar.

Mania for having things

Bij het zoeken naar een titel voor deze tentoonstelling had ik voorgesteld: 'Een partijtje ongeregeld.' Maar dat werd toch wat ondermaats gevonden. Mijn huis is overvol geraakt met het 'platte goed', dichtgeslibd. Je koopt wel eens een hele map voor één ding, en dan houd je de rest - overigens vaak ook goed. Mijn vader had het al over de mania for having things. In mijn verzameling heb ik nogal wat buitenlandse dingen, hetgeen mijn blikveld verruimt. En er is ook een vrouwencollectie binnen mijn verzameling, dwz. afbeeldingen van vrouwen. Een aantal van hen zijn ook hier te zien, variërend van nr. 31 tot nr. 96. Ik zou graag eens een aparte tentoonstelling van 'mijn dames' willen maken!

'Carniel'
'van Luyn'
'Laurencin'
 











De afmetingen van de vitrines beperkten de keus; vaak zit grafiek bijvoorbeeld in grote passe-partouts en had ik geen zin om ze 'om te katten'. Over passe-partouts gesproken, zo'n verzameling kost best wel tijd en geld voor onderzoek en conservering. Vele werken op papier moesten van een oud, zuurhoudend milieu in een 'zuurvrij milieu' overgezet worden.(1) U begrijpt, gezien de herkomst van de meeste van de dingen is mijn verzameling enigszins een hommage aan het veilingwezen. Goed, ik heb wat voorsprong in kijken meegekregen. Maar gerenommeerde veilinghouders willen u graag goed voorlichten. En u kunt ook heel goed terecht bij de kunsthandel. De marges zijn vaak bescheiden, en ik weet zelf uiteraard goed wat er nog allemaal bij komt kijken (= kosten) na een aankoop op een veiling of uit een verwaarloosde boedel. 

Dank

Allereerst ben ik oud-directeur Sjarel Ex erkentelijk die mij destijds uitnodigde hier te exposeren. De uitwerking kwam op het kundige en voortvarende bord van conservator Meta Knol, evenals meer praktisch bij Erica van Buchem en haar technische collega's. Hen ben ik veel dank verschuldigd. Feroza Verberne, restaurateur van schilderijen, was zo vriendelijk om alle olieverven voor de tentoonstelling na te lopen op conditie en waar nog nodig schoon te maken. De papierrestaurateur Peter Kipp heeft altijd mijn tekeningen en grafiek kundig verzorgd. In mijn directe omgeving dank ik voor de hulp van Geertje Jacobs (zij zorgde ervoor dat mijn vader's archief naar het RKD ging) en van Jeanette van den Bos die mij speciaal met deze tentoonstelling geholpen heeft. Zij keken en kijken ook altijd kritisch mee bij aankopen, evenals Birgit Snellens die, met dochter Daan, ook nog eens vaak hielp het dichtslibben van mijn huis dragelijk te houden. En, niet te vergeten, dank ik mijn jongste zuster die ook het vaderlijke oog erfde en die ik na een aankoop vaak algauw belde om te vragen te komen kijken en haar oordeel te geven. Mijn vader zei altijd dat hij liever een schilderij kocht dan er een lijst bij te moeten zoeken, of de kleur van een passepartout bepalen. Wel nu, ik heb ook dat gebrek van hem geërfd, en ben blij als de mensen in mijn omgeving op dat gebied voor mij de knopen doorhakken. A propos, als u hier mooie lijsten aantreft: Len en Frans de Roo en Guy Saint Hill te Haarlem: bedankt! Dank ook aan Jacqueline de Raad en haar collega's van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie die mij af en toe met onderzoek hebben geholpen. Tenslotte ben ik ook mijn kinderen erkentelijk die mij in vertrouwen maar lieten aanrommelen.

 -----------------------
1.Haal dat oude karton en die verkeerde passepartouts toch vooral weg bij de werken die u thuis heeft! En ga niet zelf uw schilderijen proberen schoon te maken! Het is echt vakwerk. Ik hoop dat Kunst & Kitsch eens goed aandacht aan deze problematiek zal geven. En dan meteen ook dat mensen achterop portretten, foto's e.d. zetten wie het voorstelt. En ook de maker in geval een schilderij of tekening niet gesigneerd is. Twee generaties later, en niemand weet het meer. Op de omslag prijkt nr. 28-v.

vrijdag 21 september 2012

Russische haven

De modernistische schilderes Jacoba van Heemskerck, dochter van de bekende negentiende-eeuwse zeeschilder Jacob van Heemskerck van Beest, woonde en werkte in Den Haag en Domburg in het eerste kwart van de vorige eeuw. In Domburg had haar vriendin Marie Tak van Poortvliet een atelier voor haar laten bouwen. Beiden raakten gecharmeerd van de antroposofie. Van Heemskerck verkeerde met onder meer Toorop en Mondriaan. Van de laatste had zij nog les gehad. Na een luministische en een kubistische periode ging zij vooral expressionistisch schilderen en werd opgenomen in Der Sturm, de groep in Duitsland rond Herwarth Walden. Zij werd daar nog bekender dan in Nederland en werd gelijk gesteld aan schilders als Marc, Kandinsky en Klee. Veel van haar werk kwam door schenkingen van Tak van Poortvliet en enkele verzamelaars in het Haags Gemeentemuseum terecht.
Van Heemskerck maakte ook houtsneden. Ik heb er enkele van; grafiek is nog wel eens te verwerven met een kleine beurs. Eén is een havengezicht met Oosterse torens en draagt, of kreeg, de titel: ‘Schepen in Russische haven’. Gemaakt in 1917. Zij is wel eens in Oostenrijk geweest, maar nog verder naar het oosten? Op een dag nam een vriendin mij mee naar Rotterdam en haar favoriete plek daar, hotel New York. We gingen er heen in zo’n klein overzetbootje dat van de Veerhaven vertrekt. De golven gingen heerlijk te keer; je zat er dan echt tussen. Opeens sprong ik op en riep uit: “Kijk, de Russische haven!” Ik hing gevaarlijk opzij en wees op de torens van het hotel. “Misschien was dat haar inspiratie.” Onder de koffie vertelde ik aan mijn metgezellin waarom ik het bootje zo griezelig had laten wiebelen.
Enkele kunstmensen in ons land zijn bezig met Van Heemskerck en haar houtsneden. Ik vertelde hun mijn veronderstelling, maar ik weet niet of zij die overnemen.* Weer later keek ik nog eens naar de houtsnede en ontwaarde linksboven iets wat op een brug lijkt. De Willemsbrug! Klopt geografisch. Nog een argument! (Ach ja, een mens die gelijk wil krijgen haalt de munitie overal vandaan….. maar ik vind de mijne toch tamelijk plausibel.)
Onlangs bezocht ik in Assen de tentoonstelling over het symbolisme. Was wel mooi gedaan. In de catalogus een helder overzichtsartikel van de kunstdocent Carel Blotkamp, waarin hij onder andere een verloren gegaan schilderij van Van Heemskerck behandelde, schilderij no. 60 uit 1916. Ook daarin twee zuilen met witte bollen, met een boog erachter. Een latere (V.H. overleed in 1923) interpretatie door de antroposofische psychiater Zeylmans van Emmichoven, een goede bekende van de schilderes: “Boven de bleke, violette torens twee verblindend witte lichtbollen. Het licht der waarheid. Over de ganse stad met zijn bonte onrust spant zich een zware, zwarte boog, als wilde hij het gehele, slavende leven in zijn sombere macht vastklemmen. Maar de stralende lichten breken door de donkere boog heen en wijzen de weg naar hoger en beter leven, naar de bevrijding.”Blotkamp vroeg zich af of dit ook zo precies de interpretatie van de schilderes zou zijn geweest, maar noemde haar spirituele aspiraties onmiskenbaar. Afijn, waar het hoofdkantoor van de Holland-Amerikalijn niet toe kan leiden. Jammer dat Riet Bakker een van haar hoge gebouwen op de Kop van Zuid zo dicht op het hotel heeft gezet. Wat een gebrekkig gevoel voor proporties! Nee, dan liever Jacoba! WH Dit artikel werd gepubliceerd in het Kunst & Antiek Journaal (nu Collect) van december 2004. * En in het mooie boek Jacoba van Heemskerck – Schilderes uit roeping van Huussen en Van Paaschen wordt mijn veronderstelling vermeld (tekst bij no. 327, blz. 267).

vrijdag 16 september 2011

De groote Oorlog

Bij toeval kwam ik een nummer van dat blad tegen, gewijd aan de eerste wereldoorlog. Ik had Remarque gelezen. En een van de aangrijpendste films vond ik altijd Paths of Glory, waarin een Franse kapitein –Kirk Douglas – het voor zijn mannen opneemt tegen de generaals die hen onbezonnen op de Duitse mitrailleurs hadden afgestuurd. Twee soldaten hadden het als weinigen overleefd door bijtijds terug te keren, waarop de generaals hen als lafaards wilden executeren. Dit als afschrikkend voorbeeld naar andere soldaten, maar eigenlijk om hun eigen fout te maskeren. De film was lange tijd verboden in Frankrijk. Zoals ook het liedje van Mouloudji: “Je n’aime pas la guerre, je ne veux pas la faire.” Verder moest ik denken aan de tekeningen van Belgische families die toen naar ons land vluchtten, vastgelegd door schilders als Leo Gestel, Jan Toorop en Jan Sluijters.
Nee, zulk werk heb ik niet in mijn bescheiden kunstcollectie. Wat heeft daarin wel met de groote oorlog te maken? ging ik me afvragen.


Een fraaie aquarel van Diana, godin van de jacht, compleet met hert en hoorn, gevat in de typische Jugendstil-boog. Gemaakt door een in Frankrijk wonende Italiaan, Richard Carniel. Hij streed samen met de Fransen als ‘engagé volontaire’ in het Garibaldi-legioen en bleef ‘mort au champ d’honneur’ in 1915. Zou hij liggen op de verwaarloosde begraafplaats van Italiaanse soldaten bij Soupir (!) waar Martin Bril eens in een column van gerept had?


Verder een grote houtsnede van een in de lage landen werkzaam geweeste Amerikaan, Joe Raphael. Hij verbeeldt uitgebreid de in beslagname van Belgische paarden door de Duitsers op de Parvis St. Pierre te Ukkel (Brussel) in 1915. (Mijn inziens hoort dat werk in een Brussels museum thuis.)


Tenslotte een aardewerk bordje (Gouda) waarop een sinaasappelboom met daaronder een accordeon spelende Hollander en een moeder met een kind dat een Belgisch vlaggetje ophoudt. Opschrift: ‘Sous l’oranger pas de danger.’ Op de rand van het bord Nederlandse en Belgische vlaggen en de jaartallen 1914 en 191? Toen het bord gemaakt werd rekende men dus op een afloop vóór 1920! Hetgeen geschiedde!

Willem Hoogendijk
Gepubliceerd in het blad De Groote Oorlog, maart 2010.

maandag 12 september 2011

De sprong van een modernist

Via de informatie in het Kunst- en antiekjournaal kom ik op een kijkdag van een veiling terecht waar ik aangetrokken word door een kloek stilleven. Klassiek, 19e eeuws, in zo’n brede, ouderwetse lijst in goudkleur. Typisch met een mand met een struik andijvie, appels ervoor en links een koperen bus als contrast met een donkere gemberpot ernaast. Absoluut kwaliteit. Van wie zou het zijn? Ik zoom in en, zie daar, rechtsonder: Louis Schelfhout, 1903.


Lodewijk Schelfhout 1903

Thuis doe ik wat onderzoek. In haar standaardwerk over Nederlandse moderne kunst, zegt mw. Loosjes dat het haar oudst bekende werk van Schelfhout een klein stilleven uit 1905 is. Een schaal met appels, met enige Cézanne-invloed. In de zogenaamde Zandvoort-catalogus van vooral het grafische werk van Schelfhout vind ik een afbeelding ervan: naast de schaal met appels ook appels en een peer ernaast, een mes en rechts een doek half op de tafel en afhangend. Inderdaad cézannesque. Ik verwerf het vroegere stilleven en bewonder de stap van de maker van zo’n 19e eeuws werk naar het modernere stilleven, een stap in twee jaar tijds. Ik ben het dan ook niet eens met de beschrijving in de Zandvoort-catalogus van het stilleven uit 1905: “traditioneel van opstelling, kleur en schildertrant.’ Integendeel helemaal 20ste eeuws geworden!


Lodewijk Schelfhout 1905


In 1903 verhuist het gezin Schelfhout van Haarlem naar Parijs. Vader Henri (schilder, zanger en fotograaf, zoon van de bekende Haagse School schilder Andreas) en Lodewijk laven zich er aan de stad en het Louvre. Lodewijk tekent er ook ijverig. Tevoren had hij - dan 21 jaar - nog in Haarlem gewerkt in het atelier van Theophile de Bock, en ik vermoed dat dat grote stilleven nog daar gemaakt is. Als een soort meesterproef? De ondertekening met Louis kan een anticipatie zijn op de gang naar Parijs. Frans en Duits waren bij ons toen überhaupt de buitenlandse courante talen; Engels werd dat pas later.
Op het stilleven uit 1905 had Lodewijk geannoteerd dat het in Parijs gemaakt was. Bijna een eeuw later komt het bij Bubb Kuyper onder de hamer, als onderdeel van de onverdeelde familieboedel. Het werd aangekocht door een nazaat, dus bleef het in de familie. Uit die boedel koop ik een landschap van Schelfhout uit 1909, alweer een stap verder in de moderne richting. Op karton, net als een bloemstilleven uit hetzelfde jaar in de collectie Smithuis. De schilder is dan te arm om behoorlijk te eten, laat staan om op doek te kunnen werken… Anders dan Van Gogh met zijn waarschijnlijk moeilijk karakter, was Lodewijk echter niet eenzaam want hij had vrienden gemaakt in de Parijse artiestencafés.


Lodewijk Schelfhout 1908

Daarna gaat hij zijn bekende, licht-kubistische werk maken, geïnspireerd ondermeer door Le Fauconnier en de gothiek waarvan hij een liefhebber was. Een tegen een heuvel oplopend dorp zoals Les Angles bij Avignon is een heel geschikt onderwerp voor als je het kubisme wilt verkennen. Zoals een Positano dat was voor Lubbers en Gestel. In Holland loopt er immers niks omhoog. Behalve dan de toren van Domburg… (Mondriaan!) Schelfhout maakte een aantal etsen van Les Angles. En over Mondriaan gesproken, bekend is de foto van het bezoek van hem aan Schelfhout in zijn Parijse atelier.
Vorige jaar heeft de actieve groep ‘Kunst aan de Dijk’ hem vereerd met een - helaas kortstondige - tentoonstelling in de kerk van Kortenhoef. (Zie uitvoerig in genoemd blad, mei 2006.) Kleinzoon Andreas beheert een website over zijn grootvader, met zijn levensgeschiedenis en zelfs nog een stukje pianospel van hem. Zacht en gevoelig, zoals de schilder waarschijnlijk zelf was. Daarop ook afbeeldingen van nog vroegere werken van de schilder. (www.schelfhout.info/lodewijk.htm)
Van nabij beleefde ikzelf dus 1903 – 1905 – 1909: de hink-stap-sprong van een boeiende modernist.

Willem Hoogendijk

.

Les Angles - 2 1912

vrijdag 5 augustus 2011

Ik en Van Gogh

Wat ik met Vincent van Gogh heb.

Na zijn schooltijd kreeg mijn vader tbc. Daarvoor kuurde hij in Driebergen en later in Davos. Hij was al verloofd met mijn moeder die hij op het gymnasium had leren kennen. Eens werd zij van college – zij was nederlands gaan studeren – weggeroepen omdat haar fiancé stervende was. Maar mijn vader is gelukkig hersteld, werd zelfs een robuuste man. Maar dat is hier niet ter zake. Tijdens het kuren heeft hij veel gelezen. Henriette Roland Holst, Tolstoy, Balzac en ook de brieven van Van Gogh. In drie delen, nog bezorgd door schoonzus Bonger. Die ging ik als jongen of jongeman ook al gauw lezen. Mijn vader was kunsthandelaar geworden, vooral in 17e eeuwse schilderijen. Maar soms had hij ook een tekening van Van Gogh en zelfs een vroeg stilleven of landschapje uit de Nuenense tijd . Mijn vader heeft ook wel de zoon van broer Theo, Vincent de ingenieur, gekend; deze beheerde de nalatenschap van zijn oom en ouders. Maar vooral door de brieven was de schilder een soort ver maar dierbaar familielid van ons geworden.
Ik begreep dat in zijn Haagse tijd Vincent wel eens rondgelopen had met Breitner, met hun schetsboekjes bij de hand. Ik verkondig wel eens: als Vincent het talent en de springplank van bijvoorbeeld Israels had gehad, was hij nooit het genie geworden dat hij werd. Israels, dankzij zijn vader Jozef ongeveer met een penseel in zijn mond geboren en met erg veel aanleg. Daarnaast Vincent, die eerst nog hulpprediker wilde worden en pas op latere leeftijd aarzelend ging tekenen in Londen en in de Borinage. De ploeteraar met zijn timmermanspotlood. (Beginnende tekenaars verwijs ik wel naar het vroege, onbeholpen tekenwerk van Vincent om hen moed te geven.) Ploeteraar maar ook knokker. Elke centimeter moest hij veroveren. (Wil je hier plaatjes zien? Ik zie voor me iets heel vroegs, uit de Borinage, met al die kasseien keurig uitgetekend. En dan, uit de Haagse tijd, een tekening van achtertuinen: al heel mooi en gevoelig.)
Wat nog meer te melden? Eens was er - ik meen dat het Van Gogh museum nog niet bestond – een Van Gogh tentoonstelling in Japan. Een stuk of 60 schilderijen van hem gingen per vliegtuig erheen. Mijn vader was verontwaardigd: “In één vliegtuig. Zijn ze nou gek geworden?!”
Ik ging en ga af en toe naar het Van Gogh museum. Altijd genieten. Ook van wat het museum er omheen heeft verzameld: tijdgenoten, inspiratoren van Vincent en dergelijken.
Boven die vroege dingen uit Nuenen en Antwerpen – boeiend. Ook het boek van Emmy Andriesse bekeken met foto’s van Arles en St. Rémy nu, met Vincent’s schilderijen ter vergelijking erbij. Ik geloof ook ooit het graf in Auvers bezocht te hebben, van de beide broers. Wat een toewijding van Theo, een heel leven lang! Vincent - altijd in geldnood en vast geen ‘makkelijk tiep’, zogezegd.



Nu komt er iets heel merkwaardigs. Sinds kort vind ik het mooiste schilderij van Van Gogh in zijn museum een werk dat … het minst Goghiaans is! Namelijk Het gezicht op Parijs. (F 261. Hulsker 1101, aldaar in kleur afgebeeld.). Helemaal de Hollandse traditie van Ruysdael en Koninck. Enigszins ton sur ton. De wat donker gehouden voorgrond, dan een lichter plan, dan weer – op de hoogte van de Dome des Invalides weer even donkerder. Heel geraffineerd. Een prachtig ritme in het schilderij, met bruine, donkerblauwe en grijze tinten. En een schitterende Hollandse lucht erboven. Ook invloed van iemand als Daubigny? Kan ik niet beoordelen. Vincent zat toen (1886) bij zijn broer, en dus is er helaas geen brief over. Heeft hij wellicht geprobeerd iets te maken dat Theo misschien beter kon verkopen dan zijn meer moderne werk? Afijn, het mooiste schilderij het minst Van Gogh! Komt het door mijn ouderwetse smaak? Maar ik heb het wel op mijn prikbord hangen naast een aquarel van Cézanne in de Courtauld Londen. Van een zelfde kwaliteit.

Willem Hoogendijk D.A. zn.
Zomer 2010
wh@aarde.org

PS Over de 17e eeuw placht mijn vader te zeggen: we hebben in ons land wat we niet verkocht hebben. Voor belangrijke meesters moet je naar het buitenland gaan: Bosch, Koninck, Hobbema. Die Cornelis Hoogendijk, met oa. die tiental (?) Cézannes: het Stedelijk had een Cézanne-zaal kunnen hebben waar nu de hele wereld voor langs zou komen!

PPS. Nog even iets over Cornelis’zuster Riet. Er is een bekende foto van Toorop die een model verwelkomt. Dat model, op de rug gezien, wordt nu gedacht Riet H. te zijn. T. was op haar verliefd, maar zij hield afstand omdat hij getrouwd was. Net als haar broer had ook zij veel geld geërfd. (De Hoogendijken waren succesvolle ondernemers in Capelle en Krimpen aan de IJssel. Oa. de Van der Giessen-de Noord werf was hun oude scheepswerf.) Met haar geld heeft Riet in 1903 een arbeiderswijkje laten bouwen in het Haagse Trransvaalkwartier volgens moderne ideeën, dwz. met lucht, siergroen, tuintjes en kinderspeelgelegenheid. 30 jaar later verkoopt zij het wijkje aan de gemeente. Voor het bedrag dat zij er destijds in gestoken had. Dat was nog eens chic. Hartverwarmend. Trots op zo’n achter-achter oud tante!
Riet trouwde met de schilder Van Blaaderen. Hun kinderen hadden nog wat schilderijen over, zoals te zien op een schilderij dat Sluijters van hen gemaakt had. Daaronder Van Gogh's stilleven met de blauwe handschoenen. Vanwege de familieband vroegen zij aan mijn vader dat voor hen te verkopen. Het werk ging naar de bekende Mellon-collectie in de Verenigde Staten.